3A: dierenverhalen

‘Fladderen,’ vroeg de zwaan aan de vlinder, ‘hoe doe je dat toch? Dat probeer ik nou zo vaak.’

Hij steeg op van de grond aan de oever van de rivier en probeerde te fladderen, maar het leek nergens op.

‘Pas maar op,’ zei de vlinder. ‘Straks stort je nog neer.’

Mistroostig ging de zwaan weer zitten.

‘Ik begrijp er niets van,’ zei hij.

‘En toch is het heel eenvoudig,’ zei de vlinder. Hij fladderde even om de zwaan heen en ging op de top van een grasspriet zitten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De zwaan liet zijn hoofd in zijn veren zakken en keek somber naar de grond.

‘Je moet eerst je gedachten laten fladderen, zwaan,’ zei de vlinder. ‘Dan pas jezelf.’

De zwaan zweeg. Hij wist niet of hij nu boos zou worden of verdrietig of onverschillig.

‘Kijk,’ zei de vlinder, ‘je denkt aan honing, hm lekkere honing, en dan meteen daarna denk je aan boomschors en dan aan het nijlpaard en dan aan kroos, aan een krukje, aan zand, aan een schaar, aan rozen, het geeft niet wat, als je maar meteen aan iets anders denkt als je ergens aan denkt…’

Geschreven door Mendel Collier

Comments are closed.